Bewoners van De Krim 1929

Om in de grote woningnood te voorzien, die na de stadsbrand van 7 mei 1862 was ontstaan, werden nog in datzelfde jaar 40 woningen aan een dwars op de Wilhelminastraat liggend straatje gebouwd, achter de later gebouwde machinefabriek van Tattersall & Holdsworth, waaraan reeds ver voor het officiële raadsbesluit door de volksmond de naam "Sebastopol" werd gegeven. De oorsprong van deze benaming staat niet vast, vermoedelijk is zij ontleend aan de Sovjet-Russische stad van die naam.

Sebastepol 1920

Na de Stadsbrand in mei 1862 kwamen tevens de arbeiderswijken "Hoog en Droog" (12 woningen) en "Het Overschot" tot stand. In 1866 zetten de fabrikanten een speciaal fonds op, waaruit premies betaald werden aan hen die voor zichzelf een arbeiderswoning bouwden, mits de woning aan bepaalde eisen voldeed. 162 arbeiderswoningen zijn op deze manier tot stand gekomen. In 1920 bedroeg het aantal arbeiderswoningen in het bezit van fabrikanten in de gemeenten Enschede en Lonneker samen 214. De Krim werd al deels gebouwd rond 1861, en was een van de eerste buiten de oude stads­grachten van Enschede. De naam “De Krim” is afgeleid van de Krimoorlog (Russisch-Turkse oorlog), die in die tijd in het nieuws was. De wijk bestond uit “afdakswoningen”: zeer eenvoudige huizen, kleine ruimtes (zoals maar twee kamers), slechte gevels, vaak zonder riolering of stromend water. Er was veel overbevolking. In sommige huizen woonden meerdere gezinnen of veel mensen op zeer weinig ruimte. De armoede was heel groot. Bewoners hadden vaak weinig middelen, en er werd ook gesproken over alcoholgebruik als manier om armoede te “verdragen” (“armoede was de grootste vijand”).   Er was ook criminaliteit in de buurt, waaronder openbare dronkenschap en vechtpartijen. In de jaren 1924-1927 werden de woningen afgebroken.

De in 1861 opgerichte “Enschedese Vereniging tot verschaffing van woningen voor de arbeidersstand” bouwde in de jaren 1861 en 1862 een complex van 145 arbeiderswoningen in vijf rijen waarvan deze de Frederik Hendrikstraat de eerste groep was.

Enschede omstreeks 1917 . De Krim is linksonder te zien met evenwijdige straatjes.

Ondanks de armoede was er een sterke saamhorigheid: mensen kenden elkaar, hielpen elkaar, er was een gemeenschapsgevoel. Veel bewoners hadden losse inkomens: er waren lompenmannen, haringhandelaars, orgeldraaiers, dagloners, mensen die “van de weg moesten leven”. In de loop van de tijd raakten de huizen steeds verder vervallen. In 1934 besloot de gemeente Enschede De Krim te slopen. Na de sloop bleef er weinig over van de oorspronkelijke wijk.

De Zwanensteeg in het Overschot.

Er is  boek geschreven over de buurt: “Al is de Krim ook nog zo min …” (door Martin Bosch & Gerrit Jagt), waarin de sociale geschiedenis van De Krim tussen 1861 en 1934 wordt beschreven. De Krim was symbolisch voor de maatschappelijke uitdagingen van arbeiderswijken in een snel industrialiserende stad: snelle stadsuitbreiding, slechte woonkwaliteit, armoede, sociale segregatie.

De Krim 1953, De woningen op de Krim zijn bijna allemaal gesloopt. Op de foto staan verschillende woonwagens, en een draaimolen.

De Frederik Hendrik straat.

Stadsplattegrond van De Krim

De mislukking van De Krim heeft ook geleid tot veranderingen in de visie op stadsontwikkeling. Later, bij de bouw van nieuwere wijken zoals Pathmos, werden leerpunten gebruikt om betere woningen te maken (“hoe het niet moest”). Sommige families woonden generaties lang in de Krim.

De woningen waren klein en gemiddeld vier meter breed en acht meter diep. De woonomstandigheden van de arbeiders waren slecht. Er was geen riolering en stromend water. Het was er vochtig en men woonde met veel mensen in een kleine ruimte. Er waren slechts twee kamers.

Er was sprake van een ongezond woonklimaat en veel armoede.

Een armoedige inrichting, geen eigen sanitair, een kolen of houtkachel was al een luxe.

De kooplui, de handelaars, de straatventers, de winkelhouders en de scharrelaars. Zij bepaalden het straatbeeld en het aanzien van de buurt. Een enkel gezinshoofd had zich een vaste plaats op de arbeidsmarkt verworven als stukadoor of fabrieksarbeider. De meeste fabrieksarbeid werd verricht door de jeugd en de jong-volwassenen. De anderen waren vaak hun leven lang aangewezen op ongeregelde en losse arbeid. Ze hadden misschien ook niet, zoals Jerry White voor de bewoners van de Campbell Bunk concludeert, de geschikte instelling voor geregelde arbeid en de arbeidsdiscipline die het vooronderstelde.

Een aantal Krimbewoners had de banden met de loonarbeid helemaal doorgesneden. Zij zaten in de handel van lompen en oud ijzer, trokken langs kermissen met de Kop van Jut of gingen met het orgel of de slijpwagen langs de deur. De mensen die hun arbeidskracht niet konden of niet wilden aanbieden op de arbeidsmarkt moesten – buiten de verhouding werkgever – werknemer om – andere middelen vinden om in hun levensonderhoud te voorzien. Het straatventen en met ‘kleine handel’, zoals garen en band, langs de deur gaan bood daartoe een mogelijkheid. Analoog aan de Campbell Bunk kende De Krim een economische organisatie die het levensonderhoud van haar bewoners tot doel had. Op verschillende adressen konden handkarren gehuurd worden. Zo ook bij ome Driekus: de had een logement, dat grensde met de achterkant aan de Krim. Hij verkocht stiekem bier en je kon er geld lenen. Moest je het later met rente terugbetalen. Je kon er ook handkarren huren, die kon je betalen als je terugkwam. Meestal kreeg ie niks, dan was er niks meer. Soms moest ie de kar voor het café weghalen, zaten ze in ’t café. Ze ging dat vroeger…”.

De Krim was een dichtbevolkte en kinderrijke buurt. De solidariteit tussen de bewoners was erg groot.

Straatventers konden in de Krim hun handel verkopen. Meneer R. vertelde dat hij samen met een zus met manden bokking en haring langs de huizen liep. Hij aan de ene kant en z’n zus aan de andere, “Want in de Krim kô’j de kost verdien’n”, aldus meneer R. Voor veel Krimbewoners, die van de loonarbeid waren afgesneden, bood de Krim de mogelijkheden om de kost te verdienen die er daar buiten niét waren. Eén van die mogelijkheden was het houden van een winkeltje. De winkelhouders speelden een belangrijke rol in De Krim. Zij leverden de artikelen die voor het primaire levensonderhoud noodzakelijk waren. Zij kenden de buurtbewoners en hun economische achtergrond en leverden daarom ook op krediet.
De situatie in De Krim zorgde ervoor dat de mensen op elkaar aangewezen waren. Vooral ook omdat ze, behalve in fabrieken, nergens een kans kregen om te komen werken wanneer bekend was dat ze uit De Krim kwamen.

De Krim werd in de volksmond ook wel de Gaskrim genoemd. In de directe omgeving van De Krim stond destijds een gashouder voor de levering van stadsgas.

De Lindelaan met een boom midden op de doorgaande weg,  bevond zich destijds achter de Krimstraten, Oranjestraat, Mauritsstraat en Frederik Hendrikstraat. Op de achtergrond de Kuipersdijk en de Alsteedsestraat, vroeger een zijstraat van de Kuipersdijk.

De sloop van de huizen aan de Oranjestraat in 1931. De Krim werd langzaam maar zeker verleden tijd. Op de achtergrond de stadhuistoren die in aanbouw was.

Een uitvoerig intervieuw (in originele tekst) met de heer Kimstra, destijds bewoners van De Krim.  Interview De Krim. (1982)